Inleiding A State of Mind - Verzamelen
image-105613-De_Leegte_Knipsel.JPG
A State of Mind - Verzamelen

Een kunstverzameling zou je een soort van barometer kunnen noemen hoe je als verzamelaar in de wereld staat. Een 
’state of mind’, een status van het bewustzijn, een spiegel 
van je perceptie van de buitenwereld, een doordringen naar
de ziel der dingen. ‘

Met deze ronkende volzin wordt op de uitnodigingskaart voor deze tentoonstelling het fenomeen kunstverzameling aangeprezen als een barometer van de tijd. Maar is dat wel zo, zo vroeg ik mij af. Is een verzameling niet eerder een barometer van een getroebleerde geest die behept is met een beklagenswaardige psychische afwijking, namelijk het obsessief verzamelen van kunstobjecten. Ik heb altijd zo mijn bedenkingen gehad tegen deze obsessie. Sterker nog, ik wantrouw deze liefde voor de kunst die weldra doorslaat in een bezitsdrang. Dat je kunstobjecten in je bezit wilt hebben is tot daar aan toe, maar dat je ze gaat verzamelen komt mij voor als een ontsporing. Het is een teveel aan liefde, een vorm van perversie misschien zelfs, als de liefde zich richt op het object van de kunst en niet op het geestelijke, het spirituele dat in dit object belichaamd wordt. Je hoeft kunst niet te bezitten, laat staan te verzamelen, om er toch zielsveel van te kunnen houden.
‘Hou jij eigenlijk wel van kunst?’, vroeg ooit Thom Mercuur aan mij. Ik hou van kunst, jazeker, maar op mijn manier. Mercuur hield op een andere manier van kunst dan ik. Zijn liefde voor het kunstobject had iets fysieks, zoals wellicht ook een verzamelaar van zijn eigen kunstobjecten houdt. Voor mij is het kunstobject vooral een idee. Niets iets fysisch, eerder iets metafysisch, een ophanden zijnde onthulling die zich niet voltrekt. Ik ben van huis uit kunsthistoricus en uit dien hoofde meer geïnteresseerd in de verhalen achter het kunstwerk, dan het object van het kunstwerk zelf. Mijn vooroordeel tegen verzamelaars is dus letterlijk van kunsthistorische aard.
Verzamelaars van kunst daarentegen hebben evenals kunsthandelaren vaak een vooroordeel over kunsthistorici. Mensen als Sandberg, Mercuur en Jos de Gruyter moesten weinig van kunsthistorici hebben. Het ging hun primair om de esthetische kwaliteiten van de objecten zelf, die zij konden rangschikken in verrassende arrangementen met andere objecten, af anders wel konden invoegen in een doordacht gerangschikt interieur met verrassende combinaties van oud en nieuw, hoge en lage kunst.
Een Picasso naast een mooi beeldje dat je ooit kocht op een rommelmarkt. Kitsch en curiosa naast de grootse meesterwerken, dat is het walhalla van elke verzamelaar. Een eigen huis, een plek onder de zon, waar de liefde voor het kunstobject zich mengt met de nestwarmte van de private biotoop. De verzamelaar van kunst is geen artistiek voyeur, maar een esthetisch narcist, wiens surplus aan liefde het kunstobject reduceert tot een trofee, een fetisj. Vandaar ook al die totempalen en primitieve cultobjecten in hun bijeengegaarde verzamelingen.

Van kunst moet je houden zoals je van een vrouw houdt, zo luidt het vaak gehoorde verweer op dit verwijt. Maar vrouwen verzamel je toch ook niet, denk ik dan. Of je moet een Don Juan zijn, een vrouwenjager, die elke vrouw wil bezitten die in zijn verzameling past.
Een kunsthistoricus is geen Don Juan, geen veroveraar en ook geen verzamelaar van kunst. Toch moet ik eerlijk bekennen, dat ook ik met het virus van de verzamelaar behept ben. Ik ben weliswaar geen kunstverzamelaar – dat zou ik ook niet kunnen, omdat ik me nooit de kunst heb eigen gemaakt om veel geld te vergaren. Om die banale reden moet ik mijn verzamelwoede botvieren in een obsessie die minder pecunia vergt. Dat is voor mij het verzamelen van boeken. Op zich is dat niet zo raar. Veel onbemiddelde kunsthistorici verzamelen boeken, zo heb ik gemerkt. Vaak zijn dat boeken met plaatjes erin. Plaatjes van kunstwerken wel te verstaan. Kunstboeken verzamelen is dus eigenlijk plaatjes verzamelen en in die zin een surrogaat voor het verzamelen van echte kunst.

Maar er is nog iets. Mensen gaan vaak boeken verzamelen om voor de buitenwacht het imago van hun geleerdheid wat op te poetsen. Deze kwalijke eigenschap zal mij ook niet geheel vreemd zijn. Ik heb een onverzadigbare drang tot het aanschaffen van boeken. Mijn huis groeit op deze manier natuurlijk langzaam dicht. Had ik het hierbij maar gelaten, maar gaandeweg ben ik niet alleen boeken gaan verzamelen, maar ook hele jaargangen van tijdschriften, fotoboeken, jaarboeken, encyclopedieën, Keesings Historisch Archief, noem maar op…Op een gegeven moment begon mijn verzamelwoede te ontsporen en zich ook op andere objecten te richten. Zo begon ik curiosa te verzamelen, zoals kitsch-souvenirs uit de jaren vijftig.
De gang van mijn huis raakte behangen met de meest wonderlijke plaquettes met ‘Groeten uit Valkenburg’ of keramische tegeltableau van de bollenvelden. Een tijdlang is dat heel vermakelijk, maar langzaamaan verandert je huis in één goot stofnest dat niet meer schoon te houden is.Een paar jaar geleden is er dan ook een volle container met boeken en dit soort prullaria bij mij de straat uitgegaan. Alle handboeken, jaarboeken en jaargangen van tijdschriften, waar ik nog geen afstand van kon doen, heb ik sindsdien op een kleine kamer op de bovenverdieping samengebracht. Dat is nu mijn privé ‘naslag-ruimte’. Maar ik moet eerlijk bekennen dat ook deze ruimte steeds meer overbodig wordt. Vrijwel alles is tegenwoordig op internet te vinden. Toch kan ik nog moeilijk afstand doen van mijn privéverzameling naslagwerken.

Je kunt je afvragen of een dergelijke drang tot verzamelen wel gezond is. Jaren geleden zag ik de film The collector, gebaseerd op de gelijknamige roman van John Fowles. De hoofdpersoon, een vlinderverzamelaar, is duidelijk geestelijk gestoord. Zijn verzameldrift komt voort uit een onvermogen om met de veranderlijke werkelijkheid om te gaan. Verzamelen komt er in wezen op neer dat je levende dingen dood wilt maken, wat met vlinders ook letterlijk gebeurt. Je prikt ze op en brengt ze bijeen in allerlei laden- en vitrine kasten.

Toen de vlinderverzamelaar geheel verzadigd was in zijn obsessie, begon hij vrouwen te verzamelen. En u raadt het al , ook zij vonden uiteindelijk de dood. Een van zijn eerste veroveringen was nota bene een bloedmooie studente van een kunstacademie. Ook hier dus weer dat surrogaat voor het ware verzamelobject: eerst vlinders dan vrouwen.
Kunstverzamelaars houden het vooralsnog bij het opprikken van kunstwerken als dode vlinders aan de muren van hun huis. Een verzamelaar, zo leerde mij dit onthullende boek van Fowles, wil alles onder handbereik hebben, waar hij in levende lijve geen toegang toe heeft. Elke verzameldrift is dus een compensatie voor een gemiste ontmoeting met de werkelijkheid. ‘Elk bezit is een tekort’, zei Mark Twain. Elk museum is een mausoleum. Elke verzamelaar is bang voor de stroom van het leven en heeft een morbide fascinatie ontwikkeld voor de eeuwig stilstaande dood.

Soms stel ik me het paradijs voor als een gigantische verzameling van boeken die te koop zijn, terwijl je als hemelbewoner beschikt over een onbeperkt vermogen om bestellingen te doen. De kunsthistoricus Aby Warburg moet een dergelijke wensdroom hebben gekend. Hij kwam uit een zeer vermogende familie van bankiers. Als jongen deed hij afstand van zijn aandeel in de bank van zijn vader, onder voorwaarde dat hij gedurende zijn hele leven alle boeken mocht kopen die hij hebben wilde.
Dat heeft hij ook systematisch gedaan. In de directe nabijheid van zijn huis verrees een gigantische bibliotheek. In zijn verzameldrang was hij zo’n typisch negentiende-eeuwse geleerde, die naar een allesomvattende kennis streeft. Je zou dit obsessieve verzamelproject van Aby Warburg kunnen vergelijken met de oneindige bibliotheken van Jorge Luis Borges en Umberto Eco die in hun verbeelding een verzameling wilden aanleggen van alle boeken van de wereld.
Overigens hield Aby Warburg er bij de ordening van zijn boekenverzameling een zeer eigenzinnig systeem na, die je in vergelijkbare vorm ook bij kunstverzamelaars terugziet. Hij ging uit van de Gesetz der guten Nachburschaft waardoor boeken over het zelfde onderwerp in dezelfde kast terechtkwamen en niet per vakgebied geordend werden. Dat is dus een andere logica in het ordenen dan in de bibliotheek wordt gevolgd. Zoals ook een kunstverzamelaar vaak een andere wijze van ordenen hanteert dan in een museum gebruikelijk is.

De verzamelende kunsthistoricus Aby Warburg zocht dus niet een kunsthistorische ordening, maar iets wat je zou kunnen aanduiden als de logica van het hart. En – als we Pascal mogen geloven – kent het hart wegen waar het verstand geen weet van heeft.
Maar waartoe leidt deze logica van het hart? Of het nu kwam kwam door zijn obsessieve verzameldrift of door zijn onlogische wijze van ordenen, na verloop van tijd werd Aby Warburg geestesziek. Hij raakte stilaan in een waanwereld en kreeg last van zware depressies. Schizofrenie, zo luidde uiteindelijk de diagnose. Maar daarmee was zijn verzameldrift nog niet ten einde. Toen hij in 1923 uit de inrichting terugkeerde, begon hij met het verzamelen van allerlei soorten afbeeldingen die hij op panelen bevestigde.
Het ging om een soort collages van zeer uiteenlopend materiaal, variërend van kunstwerken en postzegels tot persfoto’s en reclamemateriaal, kortom: beelden die qua motief enige verwantschap vertoonden, al was de diepere samenhang van hun samenkomst alleen voor Warburg duidelijk.

De plaatjesverzameling van Aby Warburg heette de ‘Atlas Mnemosyne’. Met dit project wilde hij de ervaring van het verzamelen op zichzelf als object van onderzoek nemen. Wat gebeurt er tijdens het ordenen en herordenen van beelden? Dat is een heel elementaire bezigheid, want het ordenen van beelden is een traject dat de mens telkens opnieuw moet afleggen. Door beelden te verzamelen en te ordenen bezweert de mens zijn eigen onbeheersbare angsten.
Verzamelen is eigen aan elke cultuur. Sterker nog, verzamelen is cultuur, en cultuur komt voort uit angst. In feite is elk museum een cultuur-instituut dat een diepliggende collectieve angst wil bezweren, de angst namelijk dat wij geen verleden hebben, geen geschiedenis, geen grond waartoe onze ongebreidelde beeldenstroom toe te herleiden is.
De oerbron van de verbeelding is waarschijnlijk nooit meer terug te vinden, maar in elke verzameling van beelden – of dat nu een museum, een collage of een verzameling van kunstwerken is – proberen wij de oorsprong van deze oeverloze beeldenstroom in kaart te brengen.

Mapping the stream of images’, meer kan de geest niet doen om te voorkomen dat hij overstroomd wordt door beelden. Cultuur is een verzameld geheugen om te kunnen vergeten dat we niet meer weten wie we zijn. Zo bezien moeten wij kunstverzamelingen koesteren. De verzamelaar ordent en herordent ons geheugen op zijn eigen onnavolgbare wijze. Zijn verzameling is de barometer van zijn eigen obsessie, de graadmeter van zijn eigen geest die – voor zo lang als het gaat – de waanzin bezweert die rondwaart in zijn tijd.

Huub Mous

(Openingswoord bij de tentoonstelling A State of mind - Verzamelen met werk van Ad Arma, Armando, Bernard Aubertin, Jean Bilquin, Bram Bogart, Jürgen Brodwolf, James Brown, Marc Brusse, Johan Claassen, Berlinde De Bruyckere, Jef Diederen, Sam Francis, Arie van Geest, Klaas Gubbels, Etienne Elias, Armen Eloyan, Horacio Sapere, James Coignard, Marco den Breems, Jan Sierhuis, Willem Harbers, Frank van Hemert, Jan Henderikse, Berend Hoekstra, Rik van Iersel, Stephane Kaluza, Koor, Theo Kuijpers, Rudi Lanjouw, Ger Lataster, Reinier Lucassen, Lucebert, Jan Martens, Raquel Maulwurf, Theo Niermeijer, Stijn Peeters, Pearl Perlmuter, Hermann Pitz, Quik, Adriaan Rees, Cornelia Schleime, Jan Schoonhoven, Eja Siepman van den Berg, Guy Vandenbranden, Lizette Verkerk, Carel Willink, Zhou Brothers.

Projectruimte Hoofdstraat 17, Beetsterzwaag, 25 september -13 november 2016.